

| Harlinger aardewerk en tegels steengoed (1) |
|---|
Jan Houter in "Vlieland Magazine"
In de vijftiger jaren waren ze op Vlieland nog gemeengoed. De witte vierkante tegels met blauwe motieven, gemaakt veelal in de zeventiende eeuw. Gebakken vooral bij de drie grote Harlinger tegelfabrieken. Anno 1994 zijn die tegeltjes bijna verdwenen uit de woningen op het eiland. Veelal opgekocht voor prijzen-om-niks door gewiekste handelaren. In het cultuur-historisch museum 't Tromp's Huys is nog een schitterende verzameling authentieke exemplaren uit de Friese havenstad bewaard gebleven.
Toen in 1932 de familie Van Hulst hun fabriek node moest sluiten, was er niemand meer in Harlingen die dit ambacht verder voortzette. Dit, in de loop der eeuwen in Harlingen veel mensen werk biedende ambachtelijke beroep, geraakte zelfs in de vergetelheid.
Men mag blij zijn dat Henk en Maaike Oswald in de zeventiger jaren alle zekerheden qua professie er aan gaven en zelfstandig een nieuwe aardewerk- en tegelfabriek begonnen. Ondanks veel tegenwind wordt er aan de Kleine Voorstraat schitterend werk gemaakt. En alles nog met en via motieven die twee- à driehonderd jaar geleden ook gebruikt werden. [ ...... ] |
Geschiedenis. |
| Henk Oswald: "Weinigen weten dat Harlingen één der eerste plaatsen in Nederland was, waar zich een plateelfabriek vestigde. Bijna drie en een halve eeuw achtereen was de grote kennis van dit ambacht in deze stad. Je moet het eigenlijk zo zien, dat er drie grote fabrieken waren. We weten er inmiddels veel van." |
Zuidzijde Schritsen.
In 1598 verkreeg gleybakker (tegelmaker, J.H.) Steffen Gunter de Olde een grondstuk met huis aan de Schritsen. Toen hij rond 1614 stierf, huwde zijn vrouw , Sicke Sickesdr, met een andere gleybakker, Cleas Aerntz. Een paar jaar later overleed Sicke Sickesdr. Haar zoon Steffen werd eigenaar van de werkplaats. Hij verkocht het geheel echter aan de uit Delft komende Simon Toenis van der Piet (of Pype).
Interessant is het dat Simon's echtgenote Martigen Jansdr. Van der Laan in 1637 een kontrakt sluit met de gleybakker Adriaen Cornelis van Leeuwen uit Delft, waarbij deze zich zo spoedig mogelijk naar Harlingen dient te begeven, om daar gedurende een jaar schotels en tegels te schilderen voor Van der Piet. Zelfs de toen kontraktueel overeengekomen prijzen zijn nog bekend:
'fijne schutters', 36 stuyvers per 100 stuks;'slechte mannekes', 24 stuyvers per 100 stuks; 'slechte stien' (eenvoudige tegels), 16 stuyvers per 100 stuks; 'scheepjes of ruiters te paard', 2 gld. en 10 stuyvers per 100 stuks. Naar de aantallen kijkend belicht dat enigszins de drukte in de werkplaats. Er kwam met deze Cornelis van Leeuwen weer een schat aan nieuwe motieven mee uit Delft. Toch moeten we Van der Piet's tegelbakkerij nu ook weer niet als een groot bedrijf beschouwen. Bij inventarisering der voorraad in 1639 bleken er 2000 ongebakken tegels te zijn. Zeker is dat er in die tijd al gewerkt werd met de kleuren rood, geel, groen en diep geel (kleuren die de fabriek van de Oswald nu weer terugbrengt. [ .... ]) |
| In 1681 nemen Pytter Pytterse Grauda en Jan Folckerts Grauda de zaak voor 2200 gulden over. Drie jaar later is Pytter alleen nog de eigenaar. Vanaf dat moment weten we zeker, dat er tegels met landschappen, herten, kinderspelen, witte tegels en zelfs gemarmerde tegels werden geproduceerd. In 1697 werd er een grote levering van deze tegels aan Deventer gedaan. Later ging deze zaak weer over in andere handen, zoals Jarig Gelinde en Hotze R. Binksma. In 1803 kocht tijdens een openbare verkoping Frans Tjallingii het geheel. Deze Frans had toen al een werkplaats aan de Zoutsloot. Hij en zijn opvolgers hielden beide bedrijven gaande, totdat in 1910 alles opgeheven werd. |
Nieuwe Kerkstraat
Een tweede tegelfabriek werd gesticht in de Nieuwe Kerkstraat. In 1633 besloten de gleybakkers Hendrick Dircxsz uit Harlingen en Hendrik van den Heuvel uit Rotterdam, samen met de Harlinger wijnhandelaar Jan Adamsz Gipson, een bakkerij in tegels en diggelwerk op te starten. De man met het afwijkende beroep, de wijnhandelaar, bracht hoofzakelijk het geld in. Veel gewiekste rijke kooplui zouden zich in de volgende eeuwen over de tegelbakkerijen 'ontfermen', omdat daar echt handel in zat. Hoewel de zaak voor de helft van gleybakker Dircxz was, duurde dat niet lang, omdat hij stierf. De wijnhandelaar nam direkt het deel van de overledene over en toen een paar jaar later ook Van der Heuvel overleed, kocht hij weer en was de gehele zaak de zijne. Door grond op te kopen bij de fabriek, wist hij deze in 1641 en 1643 te vergroten. In 1656 namen de broers Reyer en Leendert Jacobsz Braeff uit Delft de zaak over. |
Aan de Zoutsloot
Tot slot dan nog de tegelbakkerij aan de Zoutsloot. Rond 1686 waren daar twee, dichtbij elkaar gelegen verschillende fabrieken. De een was eigendom van Andries Piersz., de andere van Sibrandt Feytema.
In 1729 is 'meester estrikbakker' Piers Andries Glatsma (hij had inmiddels een officiële achternaam, dit in tegenstelling tot zijn vader) de nieuwe opvolger van Andries Piersz. Zijn meestertitel doet vermoeden, dat hij zich alleen bezighield met het maken van estrikken.
Na de dood van Glatsma nam collega-concurrent Feytema de zaak over. Diens zoon Pieter leidde de zaak in 1719. Toen hij in 1723 stierf, nam zijn vrouw Elysabeth Botsma de zaak over als 'stand-in' voor haar nog onmondige zoon Sybrandt II.In die tijd nam de familie Feytema een uitstekende tekenaar in dienst, Eybert Pieters. Hij was de ontwerper van een aantal sponzen, die nu nog in bezit zijn van het Fries Genootschap. Daartoe behoren de met zoveel warmte getekende strobloemen, die in de achttiende eeuw zo geliefd waren. Deze Eybert Pieters tekende ook bijbelse voorstellingen. In 1731 ging Sybrandt II een fusie aan met Robbert Rovel. Het nu veel grotere bedrijf ging, naast wand- en vloertegels ook dakpannen produceren. Tot 1774, toen hij stierf, leidde Sybrandt de tweede de zaak aan de Zoutsloot op succesvolle wijze. Naast Eybert Pieters had Sybrandt II nog een uitstekende tekenaar in dienst, D. P. Danser. Een man die ook olieverfschilderijen maakte. Hij was gespecialiseerd in het maken van scheepstaferelen en walvisvaart. Deze thema's bracht hij ook op tegels. Grote plateau's kwamen van zijn hand en waren gewild bij reders en commandeurs. Ook van hem zijn sjablonen bewaard gebleven. |
Sybrandt II werd opgevolgd door zijn zoon Pieter II. Die lag het vak helemaal niet, waarop hij zijn rechten overdeed aan zijn zuster en haar man Frans Tjallingii. Zo langzamerhand een bekende naam in dit ambacht van Harlingen.Frans Tjallingii was een gewiekst zakenman. Dat zien we vooral aan de manier waarop hij verbindingen aangaat met zijn concurrenten, die hij in de loop der jaren een voor een 'onschadelijk' maakt. In 1785, we hebben dat reeds kunnen lezen, ging hij samenwerken met Spannenburg. In Midlum werd een speciale klei-akker gekocht. Toen in 1794 Spannenburg in financiële problemen geraakte, nam Frans diens zaak over en later het bedrijf van Binksma aan de Schritsen. Onder Frans Tjallingii bereikte de tegelbakkerij in Harlingen artistieke hoogstandjes. De bijbelse scènes van Pieter Ruurds, die hij in dienst had, zijn zeer bekend. In 1803 waren er nog twee verschillende fabriekseigenaren in Harlingen, Frans Tjallingii en de latere fabriek van Van der Hulst. Frans Tjallingii overleed in 1810. De familie zette de zaak in verschillende generaties voort. In 1910, honderd jaar later, werd de fabriek opgegeven. |
| Aan de Trekvaart
Nog een klein fabriekje heeft er gestaan aan de Trekweg. Rond 1698 startte Jacob Pieters Hibma daar een estrikkenbakkerij en maakte hij ook dakpannen. In 1764 nam Sicco Rienstra dat over. Omdat deze man zich in andere zaken stortte, die niet rendeerden, ging hij failliet en 1789 waarop Frans Tjallingii (ja hij weer) de zaak overnam. Uiteindelijk was de familie Van der Hulst het langst in Harlingen bezig. Tot 1932 en toen was het gebeurd. [ ...... ]
|